Voor coaches
Vind een coach
Voor partners
Nieuws & Inspiratie
Over NOBCO
vrijdag 22 mei 2026
Een coachgesprek bestaat voor een aanzienlijk deel uit het stellen van vragen door de coach. In opleidingen en trainingen leren coaches vaak om vooral open vragen te stellen, en om één vraag tegelijkertijd te stellen. Maar zijn gesloten vragen inderdaad uit den boze? Recent onderzoek schijnt daar nieuw licht op en laat zien dat het niet zozeer gaat om de grammaticale vorm van een vraag, maar eerder om wat het doel is van een vraag. Veel handboeken over coaching geven advies over welke vragen een coach zou moeten stellen tijdens een coachgesprek. Zo zou een coach vooral open vragen moeten stellen en geen gesloten vragen. Ook zou een coach één vraag tegelijkertijd moeten stellen. Maar welke vragen worden in de praktijk daadwerkelijk gesteld door coaches en hoe reageren coachees op die vragen?
Onderzoekers Eva-Maria Graf en collega’s namen de proef op de som en analyseerden in totaal 50 coachsessies van 14 verschillende coachtrajecten. Dat leverde ruim 60 uur aan opnamemateriaal op.
In het opnamemateriaal ontdekten de onderzoekers in totaal maar liefst 3691 vragen. De onderzoekers keken allereerst om welk soort vragen het ging. Ze maakten daarbij onderscheid tussen de grammaticale vorm van de vragen en de functie van de vragen. De grammaticale vorm van een vraag gaat over hoe de vraag letterlijk wordt gesteld. Zo zijn er de zogenoemde w-vragen: vragen die beginnen met wat, wie, waarom of wanneer (zoals “wanneer wil je hiermee aan de slag gaan?”), ja/nee-vragen (zoals “heb je dit al eerder geprobeerd?”), keuzevragen (“wil je eerst werken aan je timemanagement of aan je zelfvertrouwen?”) en declaratieve vragen (zoals “dit is iets wat je belangrijk vindt, toch?”). Maar, zo geven de onderzoekers aan, deze verschillende grammaticale vormen zeggen nog niet zoveel over de functie van een vraag. Zo kunnen vragen met een verschillende grammaticale vorm allemaal gaan over het zoeken naar een oplossing van een probleem. De onderzoekers stelden op basis van de verzamelde gegevens daarom in totaal zeven functies vast van de gestelde coachvragen. Denk aan het managen van de coachrelatie, het verkennen van het onderliggende probleem, het ontwikkelen van oplossingen en het evalueren van de coaching. De onderzoekers keken vervolgens zowel naar de grammaticale vorm van de vragen als naar de functie ervan.
De grammaticale vorm die het meest voorkwam, waren de w-vragen (wat, wie, waarom etc.). Deze vormden in totaal 44% van alle vragen uit de coachsessies. Ook ja/nee-vragen en keuzevragen kwamen regelmatig voor, namelijk 27% en 21% respectievelijk. Deze percentages laten zien dat gesloten vragen, zoals ja/nee-vragen en keuzevragen, tijdens de coachsessies relatief vaak voorkwamen. Het stellen van meer dan één vraag tegelijkertijd kwam in 17% van de gestelde vragen voor.
Als het ging om de specifieke functie van de vragen (bijvoorbeeld of een vraag betrekking had op het vinden van een oplossing voor een probleem), dan kwamen vragen gericht op een oplossing voor het probleem in 41% van het totaal aantal gestelde vragen voor, terwijl vragen gericht op het probleem in 26% van de gevallen voorkwamen. Dat onderstreept het idee dat coachgesprekken voornamelijk oplossingsgericht zijn.
De onderzoekers keken echter niet alleen naar de gestelde vragen an sich, maar wilden ook weten op basis waarvan de coach een vraag stelde en hoe een coachee reageerde op een vraag. Een vraag, zo beweren de onderzoekers, is namelijk altijd onderdeel van de interactie tussen coach en coachee, en geen op zichzelf staande techniek. Niet alleen de vraag zelf is dus belangrijk, maar ook wat eraan voorafging, hoe de coachee daarop reageert en wat de coach daarna doet.
De resultaten van het onderzoek laten zien dat 42% van de gestelde vragen het gevolg was van iets dat de coachee vertelde, en daar dus direct op aansloot. In slechts 14% van de gevallen was de vraag geen logisch gevolg van wat eerder in het gesprek aan bod kwam. De onderzoekers keken ook naar de reacties van coachees op de vragen. Over het algemeen (in 73% van de gevallen) reageerden coachees op een vraag door deze te beantwoorden ofwel door deze te beantwoorden en nog aanvullende informatie te geven. Hoe een coachee op een vraag reageerde hing wel af van het type vraag dat de coach stelde. Zo reageerden coachees bijvoorbeeld minder vaak op een vraag die ging over belemmeringen om tot een oplossing te komen dan op een vraag die ging over het afstemmen over het coachtraject zelf. Wanneer coaches vervolgens weer reageerden op het antwoord van een coachee was dat in de meeste gevallen om extra toelichting of uitleg te krijgen.
Ondanks dat een aanzienlijk deel van de vragen bestond uit gesloten vragen, reageerden coachees over het algemeen dus adequaat op de vragen van hun coach met een antwoord. Gesloten vragen lijken dus niet zondermeer te leiden tot minder uitgebreide antwoorden dan open vragen. Bij het analyseren van de reacties van coachees op de vragen van hun coach keken de onderzoekers helaas alleen naar de verschillende functies van de vragen, en niet naar de grammaticale vorm ervan. Op basis van de resultaten kan dus nog niet de harde conclusie worden getrokken dat er op gesloten vragen altijd een volledig antwoord wordt gegeven door coachees. Toch laten de resultaten zien dat, ongeacht de grammaticale vorm van een vraag, coachees in ruim 70% van de gevallen reageerden op de vraag van hun coach, terwijl slechts 44% van die vragen bestond uit open vragen (zoals wat, waarom, wie, wanneer etc.).
Op basis van de resultaten concluderen de onderzoekers dat het voor coaches zinvoller is om zich te richten op de functie van een vraag dan op de grammaticale vorm ervan. Datzelfde lijkt te gelden voor het stellen van meer dan één vraag tegelijkertijd. Adviezen als “stel nooit gesloten vragen” lijken dus in ieder geval te kort door de bocht. De onderzoekers suggereren dat het vooral zinvol is voor coaches om zich af te vragen wat de reden is dat zij een specifieke vraag stellen, en hoe zij vervolgens omgaan met de reactie van de coachee. Een vraag moet dus niet worden gezien als losstaande tool of techniek, maar als onderdeel van een voortdurende reactie tussen coach en coachee.
Graf, E. M., Fleischhacker, M., & Dionne, F. (2026). How coaches and clients do questioning in coaching–results from the interdisciplinary research project ‘QueSCo’and their relevance for coaching practice and education. Coaching: An International Journal of Theory, Research and Practice, 19(1), 129-153.
Dr. Eefje Rondeel (1982) is Universitair Docent Levenslooppsychologie aan de Open Universiteit en houdt zich bezig met onderzoek, onderwijs en wetenschapscommunicatie over coaching. Samen met sociaal psycholoog Pieternel Dijkstra schreef ze het boek Evidence-based Coachen. Ook bracht ze samen met Master Practitioner coach en supervisor Aveline Dijkman het boek Zin en Onzin over Coaching uit. Sinds 2022 schrijft ze wetenschapsblogs voor NOBCO. Ze hoopt daarmee wetenschappelijke kennis over coaching toegankelijk te maken voor een breed publiek.